Juridische bijstand aan agrariers die te maken hebben met stikstofproblematiek

Monica Law verleent juridische bijstand aan agrariërs die te maken hebben met stikstofproblematiek. De stikstofproblematiek houdt Nederland al geruime tijd in haar greep. Sinds de spraakmakende uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 heeft alles wat met stikstof te maken heeft een verlammende werking op de agrarische ontwikkeling en de (woning)bouwmogelijkheden.

Inmiddels zijn we meer dan zes jaar verder en weten agrariërs nog steeds niet waar ze aan toe zijn. Met name rondom de problematiek van de zgn. PAS-melders bestaat nog weinig duidelijkheid. De verdere ontwikkelingen en investeringen in agrarische bedrijven komen hierdoor stil te liggen vanwege de aanhoudende onzekerheden.

Onderzoek Nationale Ombudsman

De Nationale ombudsman is inmiddels een onderzoek is gestart naar de betrouwbaarheid van de overheid, in het bijzonder richting boeren:

https://www.nationaleombudsman.nl/nieuws/nieuwsbericht/2025/ombudsman-onderzoekt-betrouwbaarheid-overheid-richting-boeren

De Nationale ombudsman Reinier van Zutphen onderzoekt of de overheid de afgelopen tien jaar betrouwbaar heeft gehandeld tegenover boeren. Zij krijgen al jaren te maken met veel en vaak veranderende regels. Volgens Van Zutphen zorgt dat voor onzekerheid, frustratie en stress bij boerengezinnen.

Nieuwe onteigeningsprocedures na 1 januari 2024: wat is er veranderd?

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De onteigeningsprocedure is hierdoor gewijzigd. Wat is er veranderd en waar moet u rekening mee gaan houden?

Het bestuursorgaan dat tot onteigening overgaat (o.a. gemeente of provincie) besluit zelf tot onteigening

Het bestuursorgaan dat tot onteigening wil overgaan (bijvoorbeeld de gemeente, de provincie of  de staat) neemt zelf het onteigeningsbesluit. Hiervoor dient de zgn. uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht te worden gevolgd.

Het is dus van belang dat de overheden hun besluitvormingsprocedures tijdig gaan aanpassen.

Bestuursrechtelijke procedures bij de bestuursrechter nadat de onteigeningsbeschikking is genomen.

Nieuw is ook dat er na het nemen van de onteigeningsbeschikking een zgn. bekrachtigingsprocedure dient te worden gevolgd bij de bestuursrechter. Tegen de uitspraak van de Rechtbank is hoger beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De civiele rechter bepaalt de hoogte van de schadeloosstellingsprocedure

Een belangrijk verschil met de Onteigeningswet is, dat de civiele rechter alleen nog de hoogte van de schadeloosstelling bepaalt. Het besluit tot onteigening zelf is immers al genomen door het bestuursorgaan in de onteigeningsbeschikking.

Onteigeningsakte en eigendomsovergang via de notaris

De eigendom gaat over door inschrijving van de onteigeningsakte in de openbare registers via de notaris. Daarmee krijgt ook de notaris een belangrijke rol in de nieuwe onteigeningsprocedure.

Wilt u meer weten over de nieuwe onteigeningsprocedure? Lees dan mijn boek: “Onteigening in de Omgevingswet”.

Voor vragen en advies bent u natuurlijk van harte welkom. U kunt mij hierover altijd mailen  ([email protected]) of bellen (06 37355984).

Omgevingswet en nadeelcompensatie

Door de Omgevingswet (die op 1 januari 2024 in werking is getreden) is ook de regeling over nadeelcompensatie ingrijpend verandert.

Voor schadeoorzaken die hun grondslag vinden in het omgevingsrecht, is in artikel 15.1 van de Omgevingswet een limitatieve opsomming opgenomen. Naast een aantal andere mogelijke gevallen van schadevergoeding, is hierin ook het huidige planschade opgenomen.

Voor planschade geldt nu een percentage van vier procent  als normaal maatschappelijk risico bij de waardevermindering van een onroerende zaak. Dit gedeelte wordt niet vergoed.

Een van de belangrijke veranderingen die de Omgevingswet met zich mee heeft gebracht, is is de verschuiving van het schademoment. Pas wanneer de schade daadwerkelijk optreedt kan de hoogte van de schadevergoeding worden bepaald. Dat kan zijn het moment waarop de omgevingsvergunning wordt verleend, of het moment waarop (in het geval er geen omgevingsvergunning is vereist), degene die de activiteit gaat verrichten aan het bevoegd gezag informatie verstrekt over die activiteit of het moment waarop met de activiteit is begonnen.

In de Memorie van Toelichting bij de artikelen 15.3 en 15.4 van de Ow is hierover het volgende opgenomen:  De schade wordt niet vastgesteld aan de hand van de vergelijking tussen de maximale mogelijkheden van het oude en nieuwe regime, zoals het geval is onder de Wro. In plaats hiervan zal de vaststelling van de schade zich in die gevallen, veel meer dan nu het geval is, richten op de feitelijke situatie. Het vaststellen van de omvang van de schade sluit hiermee aan op de wijzigingen die daadwerkelijk in de fysieke leefomgeving worden aangebracht.

Nu de peildatum of er wel of niet sprake zal zijn van (plan)schade wordt verlegd naar het moment waarop de activiteiten feitelijk plaatsvinden, zal dit een belangrijke wijziging met zich meebrengen ten opzichte van het huidige planschaderecht.

Enige nuancering is wel op zijn plek: de huidige planschaderegeling blijft volgens het overgangsrecht nog gedurende een periode van vijf jaar gelden. Dit geldt voor schadeveroorzakende besluiten die zijn genomen voor de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Nadeelcompensatie in de Omgevingswet

In de Omgevingswet is in artikel 15.1 een limitatieve opsomming opgenomen van gevallen wanneer er sprake kan zijn van schadevergoeding veroorzaakt door een besluit genomen bij of krachtens de Omgevingswet. De algemene term die hiervoor wordt gebruikt is “nadeelcompensatie”.

Een van de gevallen wanneer er sprake kan zijn van nadeelcompensatie is planschade. Deze benaming  komt in de Omgevingswet niet meer terug omdat ook dit onder de term “nadeelcompensatie” gaat vallen.

Ook na het in werking treden van de Omgevingswet kan nadeelcompensatie worden gevraagd wanneer er sprake is van waardedaling van een onroerende zaak.

Onder de Omgevingswet is de indirecte schadevergoeding (zoals de oude term “planschade”) echter meer verschoven naar het moment van uitvoering van de activiteit. Dat is een verschil met de situatie voor het in werking treden van de Omgevingswet.

Zo is de omgevingsvergunning het schadeveroorzakende besluit wanneer  een omgevingsvergunning nodig is.  De aanvraag om schadevergoeding kan pas worden ingediend vanaf de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning.  In dat geval bepaalt de waardevergelijking voor en na de bekendmaking van de vergunning de hoogte van de schade.  De periode van verjaring start bij het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning.

In bepaalde gevallen gaat het recht op schadevergoeding over van een eigenaar van een onroerende zaak naar de koper (artikel 15.5 Omgevingswet. Het gaat hierbij om de volgende gevallen:

  1. Waardedaling van een woning die een consument koopt op basis van artikel 7:2, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (een koper die niet bij de uitoefening van een beroep of bedrijf gronden of gebouwen koopt).
  2. Het verzoek om schadevergoeding betreft:  een omgevingsvergunning, het geven van informatie over het starten van de activiteit of de start van een vergunningvrije activiteit

Bij indirecte schade geldt voor waardevermindering van een onroerende zaak een vast eigen risico(forfait) van 4%. Dit is 4% van de waarde die de onroerende zaak direct voor de peildatum heeft (artikel 15.7 Omgevingswet).

Onteigening in de Omgevingswet – nieuwe publicatie Marleen Schulte

In dit boek wordt op heldere en praktische manier beschreven welke wijzigingen de Omgevingswet met zich mee zal brengen op het gebied van onteigening. Het boek is bedoeld voor iedereen die in de praktijk te maken krijgt met onteigening en biedt een praktische handleiding voor de ingrijpende wijzigingen met betrekking tot de onteigeningsprocedure, die zal gaan gelden vanaf 1 juli 2022.

Te bestellen via Berghauser Pont Publishing (www.omgevingsweb.nl).

ONTEIGENING NA 1 JANUARI 2024: WAT VERANDERT ER?

Op 1 januari 2024 zal de Omgevingswet in werking treden. De onteigeningsprocedure zal dan wijzigen. Wat gaat er veranderen? Het bestuursorgaan dat tot onteigening overgaat besluit zelf tot onteigening De administratieve onteigeningsprocedure vervalt. In plaats van een Koninklijk Besluit (KB) tot onteigening mag straks het bestuursorgaan zelf (de gemeente, de provincie, de staat, waterschap etc.) besluiten tot onteigening. Nadat het onteigeningsbesluit is genomen kan de onteigenaar de rechtbank verzoeken de schadeloosstelling vast te stellen. Daarnaast dient bij de bestuursrechter een verzoek tot bekrachtiging van het besluit (de onteigeningsbeschikking) ingediend te worden. Deze extra bestuursrechtelijke procedure is opgenomen om te voorkomen dat een eigenaar wordt onteigend zonder dat de bestuursrechter zich heeft uitgesproken over de onteigening. Onteigening is immers de meest ingrijpende inbreuk die de overheid op het eigendomsrecht kan maken. Anders zou de mogelijkheid hebben bestaan dat onteigend wordt zonder dat de eigenaar daartegen tijdig rechtsmiddelen kan instellen. De onteigeningsbeschikking treedt pas in werking nadat de uitspraak waarbij zij is bekrachtigd, is bekendgemaakt. Tegen deze uitspraak van de (bestuurs)rechter kan nog hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechter bepaalt de hoogte van de schadeloosstellingsprocedure Een belangrijk verschil met de huidige Onteigeningswet is, dat de civiele rechter alleen nog de hoogte van de schadeloosstelling bepaalt. Het besluit tot onteigening zelf is immers al genomen door het bestuursorgaan in de onteigeningsbeschikking. Onteigeningsakte en eigendomsovergang De eigendom gaat over door inschrijving van de onteigeningsakte in de openbare registers via de notaris. Daarmee krijgt ook de notaris een belangrijke rol in de nieuwe onteigeningsprocedure. Via dit blog zullen wij u op de hoogte houden van de verdere ontwikkelingen rondom de nieuwe onteigeningsprocedure.

Actualiteiten overheidsaansprakelijkheid

Wanneer is de overheid aansprakelijk voor schade? Uitgangspunt is in principe nog steeds dat bij vernietiging van een besluit door een rechterlijke instantie, de onrechtmatigheid een gegeven is.

De vraag die vervolgens gesteld moet worden is: komt de schade ook daadwerkelijk voor vergoeding in aanmerking? Dit hangt van een aantal factoren af. In grote lijnen gaat het daarbij om de vraag of er bijvoorbeeld sprake is verwijtbaarheid, schade en causaal verband.

Het is vaste jurisprudentie dat, wanneer het bestuursorgaan na vernietiging een nieuw rechtmatig besluit neemt dat tot hetzelfde rechtsgevolg leidt als het onrechtmatige besluit, er in principe geen sprake is van een onrechtmatig besluit.

Voor vergoeding van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit is onder meer vereist dat de gestelde schade goed wordt onderbouwd en dat er een oorzakelijk (causaal) verband bestaat tussen de schade en het onrechtmatig handelen dat tot herroeping van dat besluit heeft geleid.

Een besluit kan niet alleen onrechtmatig zijn wanneer het  wordt vernietigd door de rechter. Ook wanneer er sprake is van wet- of regelgeving waarbij geen schadevergoeding wordt aangeboden terwijl dit wel redelijk zou zijn geweest, kan dit leiden tot schadeplichtigheid van de overheid.

Lijdt u schade door overheidshandelen of wilt u meer weten over dit onderwerp?

Meldt u aan voor een kosteloos adviesgesprek: [email protected].

Onteigening na 1 januari 2021: de Aanvullingswet Grondeigendom

ONTEIGENING NA 1 JANUARI 2021: WAT VERANDERT ER?

De onteigeningsprocedure zal na het in werking treden van de Omgevingswet (op 1 januari 2021) ingrijpend worden gewijzigd.

Wat gaat er veranderen?

De onteigeningsbeschikking

De administratieve onteigeningsprocedure zal gaan vervallen. In plaats van een Koninklijk Besluit (KB) tot onteigening mag straks  het bestuursorgaan zelf (de gemeente, de provincie, de staat,  waterschap etc.) besluiten tot onteigening. Nadat het onteigeningsbesluit is genomen kan de onteigenaar de rechtbank  verzoeken de schadeloosstelling vast te stellen.

Tevens dient bij de  bestuursrechter een verzoek tot bekrachtiging van het besluit ingediend te worden. Deze extra  bestuursrechtelijke procedure is opgenomen om te voorkomen dat een eigenaar wordt onteigend zonder dat de bestuursrechter zich heeft uitgesproken over de onteigening. Onteigening is immers de meest ingrijpende inbreuk die de overheid op het eigendomsrecht kan maken. Anders zou de mogelijkheid hebben bestaan dat onteigend wordt zonder dat de eigenaar daartegen tijdig rechtsmiddelen kan instellen. De onteigeningsbeschikking treedt pas in werking nadat de uitspraak waarbij zij is bekrachtigd, is bekendgemaakt.

Schadeloosstellingsprocedure bij de civiele rechter

Een belangrijk verschil met de huidige  Onteigeningswet is, dat er in de Aanvullingswet Grondeigendom een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds het publiekrechtelijke spoor waarin de onteigeningsbeschikking  tot stand komt en wordt beoordeeld door de bestuursrechter, en anderzijds het civielrechtelijke spoor waarin de burgerlijke rechter de schadeloosstelling vaststelt.

Waar in het (huidige) systeem van de Onteigeningswet zowel de onteigening zelf als de hoogte van de schadeloosstelling worden uitgesproken door de civiele rechter, vindt in het nieuwe systeem alleen een civiele procedure plaats over de hoogte van de schadeloosstelling. Het besluit tot onteigening zelf is immers al genomen door het bestuursorgaan in de onteigeningsbeschikking.

Onteigeningsakte en eigendomsovergang

De eigendom van de onroerende zaak die door het bevoegd gezag bij de onteigeningsbeschikking is aangewezen, gaat over van de onteigende naar de onteigenaar door inschrijving van de onteigeningsakte in de openbare registers via de notaris.

Het wetsvoorstel zal binnenkort worden behandeld door de Tweede Kamer. Via dit blog zullen wij u op de hoogte houden van de verdere ontwikkelingen rondom de Aanvullingswet grondeigendom.

Jurisprudentie over nadeelcompensatie, planschade en nadeelcompensatie

Planschade

Dat een vergoeding van planschade soms kan gaan om grote bedragen, blijkt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 oktober 2018 (ECLI:NL:2018:3192). Uiteindelijk werd de gemeente veroordeeld tot betaling van een bedrag van meer dan vier miljoen euro.

Het ging in deze zaak om de eigenaar van een winkelcentrum, die planschade leed omdat de gemeente de detailshandelsbestemming van het winkelcentrum had wegbestemd in een nieuw bestemmingsplan. Aan de uitspraak van de Afdeling liggen diverse adviezen van deskundigen met betrekking tot de omvang van de schade ten grondslag.

Nadeelcompensatie

Zo is met betrekking tot het criterium voorzienbaarheid weer verduidelijkt, dat hiervoor beslissend is, of op het tijdstip van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden (ABRvSt 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3023).

In een zaak waarbij door een ondernemer een verzoek om nadeelcompensatie werd ingediend vanwege een beleidswijziging door de gemeente, heeft de Afdeling een bedrag van bijna zes ton aan schadevergoeding toegewezen. Ook werden de kosten van deskundige en juridische bijstand vergoed op basis van de zgn. dubbele redelijkheidstoets.

De Afdeling vond in dit geval, dat beleidswijziging op zich mogelijk is, maar dat de gemeente dan wel dient te onderzoeken of en in hoeverre deze ondernemer door het gewijzigde beleid, dat voor hem ten tijde van de investeringen niet voorzienbaar was, onevenredig in haar belangen zou worden getroffen.  Nu dit niet is gebeurd en de ondernemer onevenredig in zijn belangen is geschaad, is er schadevergoeding toegekend (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2528). Overigens heeft de betreffende ondernemer hiervoor bijna 14 jaar moeten procederen (!).

Schadevergoeding

In de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2123) ging het om een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn in een rechterlijke procedure. De Afdeling gaat daarbij in op de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (WNS). Voor zover de gestelde schade is veroorzaakt na de inwerkingtreding op 1 juli 2013 van de WNS, dient een verzoek om schadevergoeding vanwege een onrechtmatig besluit door middel van een verzoek, in te dienen bij de bestuursrechter, te worden gedaan (vgl. artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht). Een besluit kan alleen worden genomen door een bestuursorgaan. Het ging hier om een gerechtelijke instantie en niet om een bestuursorgaan. Daarom bestaat voor degene die stelt schade te lijden als gevolg van een onrechtmatig handelen van een orgaan met rechtspraak belast niet de mogelijkheid een verzoek tot schadevergoeding bij de bestuursrechter in te dienen, aldus de Afdeling. Het verzoek kan alleen worden ingediend bij een bestuursorgaan, zoals een gemeente.

Meer weten? Mail mij dan gerust: [email protected].

Nieuwe beleidsregels nadeelcompensatie

De wettelijke regeling over nadeelcompensatie zoals deze al in 2013 in de Algemene wet bestuursrecht is opgenomen, is nog steeds niet in werking getreden. Verwacht wordt dat dit niet eerder zal gaan plaatsvinden dan wanneer de Omgevingswet van kracht zal worden (streefdatum: 2021).

In de Handleiding nadeelcompensatie bij infrastructurele maatregelen, die op 20 juli 2018 door het kabinet naar de Tweede Kamer is verzonden, is getracht om meer eenvoud en duidelijkheid aan te brengen op het terrein van het nadeelcompensatierecht.  Immers, op dit moment worden door de diverse bestuursorganen nog steeds hun eigen en verschillende regelingen gehanteerd.

Deze handleiding is opgesteld door een werkgroep, waarin overheden, bedrijfsleven en deskundigen hebben samengewerkt. Naar verwachting  zal deze handleiding zowel aan overheden als de rechter een goed handvat bieden bij de afhandeling van schadeverzoeken.

Mede naar aanleiding van deze nieuwe handleiding is de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat gewijzigd. Deze wijziging is op 1 januari 2019 in werking getreden.

In deze nieuwe beleidsregels is een nieuwe methode opgenomen voor het vaststellen van de schade die onder het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico valt.

Wanneer schade wordt geleden ten gevolge van infrastructurele maatregelen (denk aan wegwerkzaamheden of andere infrastructurele maatregelen), dan worden de volgende schadebedragen niet vergoed:

  1. Schade van maximaal € 500,– voor een particulier en
  2. Schade van maximaal € 1.000,– voor een ondernemer.

Daarnaast blijft schade in de vorm van inkomensschade van maximaal 2 % van de normomzet van een onderneming in principe voor eigen risico. In principe wordt hiervoor een referentieperiode van drie aan de schadeperiode voorafgaande jaren gehanteerd.

De omvang van het normaal ondernemersrisico wordt, in grote lijnen, op de volgende wijze beoordeeld:

Stap 1: Is er sprake van een normale infrastructurele maatregel?

Stap 2: Is er sprake van bagatelschade en wordt het minimumforfait overschreden?
Stap 3:

  1. Eerste fase: wordt de omzet- of kostendrempel (ingangsdrempel) overschreden?
  2. Tweede fase: wordt na overschrijding van de ingangsdrempel het forfait overschreden?

Stap 4: Indien de maatregel langer dan twee jaar duurt: verlagen drempel en forfait.

Nieuw in deze regeling is, dat in de eerste fase de schade niet exact berekend hoeft te worden en er  geen deskundigenbijstand vereist is.  Hierdoor kan via snellere en goedkopere procedures een besluit worden genomen op een verzoek om nadeelcompensatie.

Wilt u meer weten over dit onderwerp? Mail mij dan: [email protected].